Ketters en scheurmakers
Uitgelicht
|
17,01 |
Naar shop
|
|
18,90 |
Naar shop
|
Beschrijving
In Augustinus' oeuvre is de weerslag van zijn polemische instelling en interesse duidelijk zichtbaar. Veel van zijn werken zijn getiteld met het woord 'tegen', afgeleid van het Latijnse contra of adversus. Dit varieert van vroege teksten zoals de "Uitleg van Genesis 1-3 tegen de Manicheeërs" (389) en de "Psalm tegen de Donatisten" (394) tot latere werken zoals het omvangrijke "Tegen Julianus" (421) en "Tegen de Ariaan Maximinus" (428). Zelfs in zijn allerlaatste werk, het "Onvoltooide werk tegen Julianus" (429), speelt de bestrijding van afwijkende ideeën een hoofdrol. Het opmerkelijke is dat de 'contra-titels' meestal niet van Augustinus zelf afkomstig zijn, en dat veel van deze polemische teksten zijn geschreven op verzoek van anderen.
Naast deze openlijke polemische werken, verschijnt Augustinus' kritiek op ketterijen ook in minder expliciete teksten. Of het nu gaat om Donatisten, Manicheeërs, Arianen, Priscillianisten of Pelagianen, het oeuvre van Augustinus bevat talloze verwijzingen naar deze groepen, vaak in negatieve zin. In zijn preken en invloedrijke "Belijdenissen" (397) bespreekt hij hun denkbeelden, en in "De stad van God" (413) gaat hij filosofisch met deze ideeën in discussie.
Ketterijen en scheurmakers, ook bekend als "De haeresibus", is een speciale tekst die in deze uitgave centraal staat. Dit geschrift, een van de laatste werken van Augustinus, is geschreven in 428, kort vóór zijn dood. De aanleiding voor het samenstellen van deze catalogus van ketterijen is een verzoek van Quodvultdeus, een bevriend kerkelijk schrijver en diaken uit Carthago, die later bisschop zou worden. Dit geschrift is nooit eerder in het Nederlands vertaald.
Als brontekst werd de Latijnse editie van de Nuova Biblioteca Agostiniana van Città Nuova te Roma gebruikt. Bij de vertaling zijn enkele aanpassingen doorgevoerd, waaronder wijzigingen in spelling, hoofdlettergebruik en interpunctie. De tekst is opgedeeld in alinea's, zodat deze parallel loopt met de vertaling.
De brontekst is in ongeveer tien gelijke delen gesplitst en door twee vertalers in eerste versies omgezet. Na kritische feedback en aanpassing zijn de teksten samengevoegd en gestroomlijnd. Bij het vertalen van de namen van ketterse stromingen is gekozen voor consistent gebruik van hoofdletters, om hun centrale belang in deze tekst te onderstrepen. Beide vertalers zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor dit geheel.
Aurelius Augustinus, samen met J. Gehlen-Springorum en Vincent Hunink, heeft met deze uitgave een waarborg van diepgaande religieuze en filosofische gedachtevorming achtergelaten, en biedt een schat aan inzicht in de ketterijen van zijn tijd.
In Augustinus' oeuvre is de weerslag van zijn polemische instelling en interesse duidelijk zichtbaar. Veel van zijn werken zijn getiteld met het woord 'tegen', afgeleid van het Latijnse contra of adversus. Dit varieert van vroege teksten zoals de "Uitleg van Genesis 1-3 tegen de Manicheeërs" (389) en de "Psalm tegen de Donatisten" (394) tot latere werken zoals het omvangrijke "Tegen Julianus" (421) en "Tegen de Ariaan Maximinus" (428). Zelfs in zijn allerlaatste werk, het "Onvoltooide werk tegen Julianus" (429), speelt de bestrijding van afwijkende ideeën een hoofdrol. Het opmerkelijke is dat de 'contra-titels' meestal niet van Augustinus zelf afkomstig zijn, en dat veel van deze polemische teksten zijn geschreven op verzoek van anderen.
Naast deze openlijke polemische werken, verschijnt Augustinus' kritiek op ketterijen ook in minder expliciete teksten. Of het nu gaat om Donatisten, Manicheeërs, Arianen, Priscillianisten of Pelagianen, het oeuvre van Augustinus bevat talloze verwijzingen naar deze groepen, vaak in negatieve zin. In zijn preken en invloedrijke "Belijdenissen" (397) bespreekt hij hun denkbeelden, en in "De stad van God" (413) gaat hij filosofisch met deze ideeën in discussie.
Ketterijen en scheurmakers, ook bekend als "De haeresibus", is een speciale tekst die in deze uitgave centraal staat. Dit geschrift, een van de laatste werken van Augustinus, is geschreven in 428, kort vóór zijn dood. De aanleiding voor het samenstellen van deze catalogus van ketterijen is een verzoek van Quodvultdeus, een bevriend kerkelijk schrijver en diaken uit Carthago, die later bisschop zou worden. Dit geschrift is nooit eerder in het Nederlands vertaald.
Als brontekst werd de Latijnse editie van de Nuova Biblioteca Agostiniana van Città Nuova te Roma gebruikt. Bij de vertaling zijn enkele aanpassingen doorgevoerd, waaronder wijzigingen in spelling, hoofdlettergebruik en interpunctie. De tekst is opgedeeld in alinea's, zodat deze parallel loopt met de vertaling.
De brontekst is in ongeveer tien gelijke delen gesplitst en door twee vertalers in eerste versies omgezet. Na kritische feedback en aanpassing zijn de teksten samengevoegd en gestroomlijnd. Bij het vertalen van de namen van ketterse stromingen is gekozen voor consistent gebruik van hoofdletters, om hun centrale belang in deze tekst te onderstrepen. Beide vertalers zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor dit geheel.
Aurelius Augustinus, samen met J. Gehlen-Springorum en Vincent Hunink, heeft met deze uitgave een waarborg van diepgaande religieuze en filosofische gedachtevorming achtergelaten, en biedt een schat aan inzicht in de ketterijen van zijn tijd.
Prijshistorie
Prijzen voor het laatst bijgewerkt op: