Dieren spelen een significante rol in biogeomorfologie door sediment te verplaatsen en hellingsprocessen mee te beïnvloeden. Zoogdieren graven holen en gangen om te zoeken naar voedsel, graven permanent onder de grond en vertrappen stromende delen van de bodem. Daarmee dragen ze direct bij aan sedimentverplaatsing. Daarnaast trachten ze ook indirect te werken: het blootleggen van sediment aan erosie, verstoring van de vegetatie, wijziging van oppervlakkige afvloeiing en het bevorderen van creep, wat samen de stabiliteit van hellingen kan beïnvloeden. Uit verschillende literatuurbronnen blijkt dat ondergrondse zoogdieren en gangen etende dieren de grootste directe bijdragen leveren aan het reliëf op lange termijn. Enkele soorten die genoemd worden zijn goffers, grizzlyberen, grondeekhoorns, dassen en everzwijnen. De auteurs benadrukken dat deze processen steeds relevanter worden binnen de geomorfologie en biogeomorfologie.
Dieren die permanent onder de grond leven of gangen uitgraven, lijken de grootste bijdragen te leveren aan sedimentverplaatsing en reliëfverandering. Op langere termijn kan dit leiden tot duidelijke veranderingen in het landschap.
Kenmerken
- Directe sedimentverplaatsing door holen en gangen
- Op- en begraven van voedsel en vertrappen van bodem
- Indirecte invloed via erosie en vegetatieverstoring
- Invloed op oppervlakkige afvloeiing en creep
- Langdurige effecten op hellingsenergie en reliëf
Gebruik en achtergrond
- Biogeomorfologie onderzoekt hoe dieren landschappen vormen
- Voorbeelden: verschillende zoogdieren met bodemactiviteiten
- Academische achtergrond van de auteurs vermeldt de betrokken vakgroep
- Werktip: leer over interacties tussen fauna en geomorfologie
- Geeft inzicht in lange termijn landschapontwikkeling
Prijshistorie
Prijzen voor het laatst bijgewerkt op: